“Pang pang, ik heb je geraakt. Je bent dood.” Het zou een uitspraak kunnen zijn van kinderen uit mijn buurt die oorlogje spelen. Het kan ook van een tandarts komen die vrolijk vertelt hoe je voor je lol een leeuw doodschiet. Maar helaas komt het van Nederlandse beroepsmilitairen die schietoefeningen doen. En het is geen grap. Door ernstig munitietekort moeten onze jongens ‘pang pang’ roepen.

Er was een tijd dat bezuinigingen bij Defensie eigenlijk wel logisch waren. We konden ons geld beter steken in zorg en onderwijs dan in wapens, tanks en straaljagers. Zeker als een oorlog een ver-van-mijn-bed-show lijkt. Want, zeg nou zelf, het was, op wat Afrikaanse brandhaardjes na, vrij rustig in de wereld. We dronken biertjes met Poetin en stuurden hooguit wat opleidingsteams naar Afghanistan en Irak om soldaten daar te leren vechten.

Toch zitten er natuurlijk grenzen aan bezuinigen. We zijn militair gezien al niet het sterkste jongetje van Europa, en als dit pang pang-verhaal uitkomt, worden we helemaal niet meer serieus genomen. En dan heb ik het nog niet eens over de vernedering voor de mannen zelf. Ik moet de eerste stoere, brede, 24-jarige beroepsmilitair nog zien die tijdens het oefenen ‘pang pang’ roept. Kunnen zijn maten dan hun lach wel inhouden?

Bijkomend probleem is dat een oorlog helaas niet meer zo ver weg is als pak hem beet tien jaar terug. Van IS en andere extremistische groeperingen zijn we voorlopig nog niet verlost en de wegen van Poetin zijn ondoorgrondelijk.

Het pang pang-bericht kwam in dezelfde week als het nieuws dat het Koningslied een half miljoen euro gekost heeft. Nu weet ik niet wat een gemiddeld kogeltje kost, maar iets zegt me dat we in Nederland niet altijd de prioriteiten op een rijtje hebben. Nu kunnen we een paar dingen doen. Of we schrijven nog een duur kutlied. Of we geven nog wat aan Griekenland. Of we zorgen als de sodemieter dat onze militairen hun werk kunnen doen. Voordat het te laat is.