‘Pappa?’

‘Ja jongen.’

‘Ik wil nooit met een vliegtuig op vakantie.’

‘Niet? Waarom dan niet?’

‘Er is er toch eentje neergestort?’

‘Ja, dat klopt.’

‘En die mensen zijn toch allemaal dood?’

‘Ja, dat is vreselijk, maar je hebt gelijk.’

‘Daarom wil ik nooit in een vliegtuig. Veel te gevaarlijk.’

‘Ik snap dat je zo denkt jongen, maar vliegen is niet gevaarlijk. Vliegtuigen storten bijna nooit neer.’

‘Deze wel.’

‘Ja, deze wel.’

‘Een jongetje op de camping zei dat het vliegtuig uit de lucht is geschoten door een raket.’

‘Misschien. Maar ook dat gebeurt bijna nooit.’

‘Maar waarom nu dan wel?’

‘Dat komt omdat sommige landen ruzie met elkaar hebben en dan doen ze gemene dingen.’

‘Hadden die landen ruzie met de mensen die in dat vliegtuig zaten?’

‘Nee jongen, de mensen in dat vliegtuig hebben gewoon heel erg veel pech gehad.’

‘Maar waar hebben die landen dan ruzie over?’

‘Tja, dat is een beetje moeilijk uitleggen. Soms vinden mensen het niet meer fijn in hun eigen land en willen ze liever in een ander land wonen. Maar je bent nog een beetje te klein om dat allemaal te snappen.’

‘Kunnen ze dan niet gewoon verhuizen?’

‘Ja, dat kan ook. Maar soms willen ze niet verhuizen. Soms willen ze dat de baas van het land weggaat.’

‘Maar dat kunnen ze toch gewoon vragen.’

‘In sommige landen lukt dat helaas niet zo makkelijk jongen.’

‘En gaan ze dan oorlog maken?’

‘Zoiets ja, maar dat is allemaal in verre landen hoor.’

‘Maar die mensen in dat vliegtuig, die dood zijn gegaan, die komen toch ook uit Nederland?’

‘Ja, veel wel ja.’

‘Ik snap het niet zo goed pappa.’

‘Dat geeft niks. Er zijn maar weinig mensen die het snappen.’

‘Jij wel?’

‘Nee, ik ook niet boef.’

‘Pappa?’

‘Ja.’

‘Ik wil echt niet met een vliegtuig op vakantie’

‘Dat hoeft ook niet jongen. Dat hoeft ook niet.’