Gisteren ging de kleuterjuffrouw van mijn kinderen weer voorbij. Ik was Joep aan het uitlaten en stak mijn hand omhoog. Toen ze passeerde, keek ik haar uitvoerig na. Dat doe ik altijd. De voorkant is al mooi, maar dat kontje is helemaal smullen. Ik keek zó lang dat Joep inmiddels was gaan liggen. Ook merkte ik dat ik meer kwijlde dan hij.

Een witte Audi A5 is de enige auto waarbij ik zo raar doe. Dat de kleuterjuf er eentje heeft, maakt me groen van jaloezie. Die rondingen, die koplampen, die glimmende witte lak in de zon. Als ik er eentje had, ging ik er de helft van de tijd in rijden en de andere helft naar kijken.

Ik ben altijd autogek geweest. Vroeger hield ik plakboeken bij met autoplaatjes. Iedere krant van mijn ouders spitte ik door en als er een advertentie van Volkswagen in stond, plakte ik de Golf netjes in het boek. Naast de Nissan Maxima, de Opel Vectra en de Audi 80. Ook ging ik met mijn beste vriend op Tienertour naar de AutoRai om daar zoveel mogelijk folders op te halen. Ik realiseer me nu waarom ik nooit vriendinnetjes had.

Mijn huidige auto is ook geen babe-magnet. De achterste zijruiten zijn door de kinderen volgeplakt met dierenstickers. Aan de binnenspiegel hangt een geel eendje en mijn stoel staat zo ver naar achteren, dat als ik opzij kijk, ik door het achterste zijraampje naar buiten tuur. Door het raampje met de dierenstickers dus. Het is gewoon geen gezicht, zo’n rode Toyota Aygo. Een ernstige aantasting van mijn mannelijkheid.

Het ergste is altijd als ik uitstap. Dan komen mensen niet meer bij van het lachen omdat het lijkt alsof een reus uit een speelgoedautootje stapt. Op zulke momenten denk ik aan de witte auto van de juf. Die koplampen, die rondingen en die glimmende witte lak in de zon. Misschien word ik ooit de trotse eigenaar van een witte Audi A5. En zo niet, dan blijf ik staren naar die van de juf. Met kwijl uit mijn mond. Totdat het kontje uit zicht is.