Ik zie mijn kinderen alleen nog in het weekend. Mijn ex-vrouw en ik houden nog wel van elkaar, maar het ging gewoon niet meer. We hoopten dat de verhuizing alles zou oplossen. Weg uit het dorp waar ik iedere keer werd nagekeken en aangestaard. Hoewel de echte dader inmiddels is gepakt, zijn er nog altijd mensen die mij als moordenaar zien. ‘Waar rook is, is vuur’, zeggen ze dan.

Het is nu vier jaar geleden dat ik ruw van mijn bed werd gelicht. Gewapende politieagenten hadden de deur geforceerd en stonden om tien voor vijf naast mijn bed. Nog voordat ik mijn ogen goed open had, zat ik geboeid achterin een politiebusje. Mijn vrouw en kinderen stomverbaasd achterlatend. Natuurlijk heb ik later excuses gekregen. En een schadevergoeding. Toch ben ik nog steeds kwaad. Die onzorgvuldigheid. Een mens verliest verdomme zo’n honderd haren per dag. Bovendien heb ik ook wel eens een vreemde haar op mijn jas.

De doorbraak in de zaak Marianne Vaatstra heeft gezorgd voor een maatschappelijke discussie over een nationale dna-database. Als we allemaal een wattenstaafje met wangslijm inleveren, kunnen misdrijven veel sneller worden opgelost. Een discussie die grotendeels is ingegeven door emotie. We leven immers allemaal mee met de ouders Vaatstra. Hen had twaalf jaar onzekerheid bespaard kunnen blijven als we een dna-databank hadden. Dit moet in de toekomst voorkomen worden.

De voorstanders hebben een punt. Met een archief vol dna kunnen moordenaars ongetwijfeld sneller gepakt worden. Een verkrachter denkt bovendien wel twee keer na voor hij zijn zaad ergens achterlaat. Dan kun je net zo goed je naam en adres erbij leggen. Sterke argumenten. Wie zijn privacy belangrijker vindt dan een betere wereld is natuurlijk gewoon een egoïst.

Toch gaat de discussie verder dan het privacy-vraagstuk alleen. Ik begon deze column met een scenario dat niet helemaal ondenkbaar is als de overheid ons dna heeft. Haar, maar ook bloed op de kleding van een vermoorde vrouw kan ook van jou zijn. Per ongeluk. Overgedragen in een volle metro toen ze nog springlevend was. En dan komen ze je toch halen. Gewoon, omdat het kan en omdat ze niemand willen uitsluiten.

En er lopen meer beren op de weg. Ken jij een bedrijf met een foutloos adressenbestand? Onmogelijk. Een groot bestand bijhouden is namelijk verschrikkelijk moeilijk. Voor de overheid is dat niet anders. Iedere dag gaan mensen dood en worden baby’s geboren. En ja, er zijn betere oplossingen dan het excel-bestand bij jouw bedrijf, maar fouten worden altijd gemaakt. Bij OV-chipkaarten, uitgelekte miljoenennota’s en dus ook bij een enorme dna-database. Een honderd procent betrouwbaar en nooit te kraken systeem? Je gelooft zeker ook in Sinterklaas.

Laten we ons in godsnaam niet teveel vastklampen aan dna. Het kan zaken verhelderen, maar lang niet altijd oplossen. Dna-bewijs alleen kan nooit voldoende zijn. Gelukkig niet. Je moet er niet aan denken wat er gebeurt als een moordenaar op de plek des onheils jouw zakdoek neerlegt. En zo is ook Jasper S dus nog altijd verdachte. Weliswaar iemand die alle schijn tegen heeft, maar een slimme advocaat trekt een potje geheugenverlies open en meneer is zo weer vrij.

Ik weet niet of ik voor of tegen een dna-database ben. Als ik de opluchting van vader Vaatstra op tv zie, denk ik: ‘stop vandaag nog van alle Nederlanders het wangslijm in de computer’. Maar als je goed nadenkt, is de conclusie: ieder voordeel heb z’n nadeel. En dna-delen heeft er wellicht te veel.