“Juffrouw, wanneer mag ik in de bouwhoek?”

“Nog niet Jan Kees, Mark is nog bezig.”

“Maar Mark zit al heeeel lang met Geert en Maxime in de bouwhoek, ik wil nou in de bouwhoek. Mag ik morgen in de bouwhoek?”

“Kun je rekenen Jan Kees? Reken er dan maar niet op.”

“Ik kan heel goed rekenen juf, ik wil morgen in de bouwhoek.”

[morgen]

“Bleeeeeeehhhhhhh!”

“Wat is er Mark?”

“Geert heeft alle blokken omgegooid juf, alles wat we gebouwd hebben is stuk.”

“Dan gaan jullie nu maar lekker wat anders doen. Jan Kees, jij mag in de bouwhoek. Geert jij krijgt straf. Jongens, niet met Geert praten, Geert heeft straf.”

“Bleeeeeeeehhhhhhh!”

“Wat is er nu weer Mark?”

“Nog niet alles is kapot en nu maakt Jan Kees ons mooie bouwwerk helemaal zelf af.”

“Ga het dan maar samen afbouwen, wie wil er nog meer in de bouwhoek jongens? Arie, Alexander, toe maar jongens.”

“Mag ik ook juf?”

“Maar jij ben toch met poppen aan het spelen Jolande?”

“Ja, maar ik wil ook wel een keertje in de bouwhoek. En mag Diederik ook mee?”

“Diederik wil niet mee doen, die houdt niet van bouwen.”

“Bleeeeeehhhhhhhh!”

“Wat is er Geert?”

“Iedereen negeert mij.”

“Dat moet ook, je hebt straf. Ga maar met Hero praten, die is ook alleen.”

“Ik wil niet met Hero praten.”

“Ik wil ook niet meer Geert praten.”

“Dan niet jongens, ga maar lekker knutselen.”

“Juf?”

“Ja Mark.”

“Mag dit bouwwerk na de vakantie ook nog blijven staan?”

“Nee, dan mogen andere kindjes weer in de bouwhoek.”

“Maar we hebben dit heel snel en stevig met ons vijven opgebouwd en iedereen vindt het mooi.”

“Dat maakt niet uit, na de vakantie breken we het af en bouwen andere kindjes weer iets anders. Dat zijn nou eenmaal de regels.”

“Mag ik dan juf? Ik ben al heeeeeel lang niet in de bouwhoek geweest.”

“Dat zien we dan wel Emile, dat zien we dan wel.”