We zijn gek geworden. Mesjogge. Van de pot gerukt. We kunnen niet meer normaal doen. Er ligt een man in coma. Een vader. Een zoon. Een echtgenoot. Een broer. En wij kijken keer op keer naar de zonnebrillen van de moeder, de broer en de vrouw. Ze willen liever met rust gelaten worden. Wij niet. Wij willen liever kijken hoe ze arm in arm lopen. Waarom zouden we ze met rust laten. Ze zijn toch van ons?

Twee artsen praten met elkaar op de gang. Een journaliste schrijft alles op. Ze is de vrouw van de grijsaard in vrijetijdskleding. Hij zag haar schrijven en vond het best. In de auto zijn ze opgewonden. Niet van elkaar, want die tijd is geweest. Ze zijn bronstig van het nieuws. Ze hebben goud in handen. Fuck het beroepsgeheim, leve de publiciteit. De NRC-baas was blij met haar en beloofde haar een eindejaarsbonus.

Maanden eerder zat een bebaarde tv-producent met wat ziekenhuismensen aan tafel. Hij wilde een soap maken over zieke mensen. Het ziekenhuis vond het goed. Hang maar wat camera’s op hoor, onze patiënten hebben toch andere dingen aan hun hoofd. De producent was blij en beloofde veel publiciteit voor het ziekenhuis. Hij kwam zijn belofte na. Alleen jammer dat mensen boos werden. Dat stond niet in het script. Ze hadden toch mooie folders gemaakt?

Over twee weken praten we niet meer over de man in coma. Want we praten ook niet meer over de Elfstedentocht. Over twee weken is er iets nieuws. En wij zijn gek op nieuws. We willen alles weten. En als we alles weten gaan we klagen dat er te veel nieuws is. We klagen zoveel dat we niet eens doorhebben dat de moeder, de broer en de vrouw hun zonnebrillen hebben afgedaan. Ze zitten naast zijn bed en klagen niet… ze huilen.