Ik heb een beetje last van zelfoverschatting. Dat mijn zoon mij Superman vindt, schijnt normaal te zijn, maar ik vind mezelf soms ook Superman. En dat is niet zo handig. Zo zijn mijn planningen nogal optimistisch. Als ik bel dat ik een uurtje moet overwerken, weten ze thuis al dat ze ongestoord de complete Lord of the Rings serie kunnen kijken. Meestal heb ik zelf niet zo gek veel last van mijn eeuwige halfvolle glas. Totdat ik gisteren ging schaatsen.
Schaatsen kan iedereen. En ik loop drie keer per jaar 5 km hard dus ik heb een bereconditie. Een schaatstocht van 30 km is een eitje voor mij. Op de website van de organiserende ijsvereniging moest ik grinniken om de zin ‘voor de meer geoefende schaatser hebben we een afstand van 30 km’. Wat denken ze wel niet. Nee, ik maakte me nog het meest zorgen over mijn schaatsmaatje. Hij was immers gepensioneerd. Zou ik hem halverwege moeten duwen? Op de nek nemen? Hem op mijn jas over het ijs vooruit trekken?
We begonnen om half 12. Om 12 uur had ik er lol in. Ik ging als een speer. Om 13 uur had ik al zes keer aan onbekenden gevraagd hoe ver het nog was. Om 14 uur werd ik ingehaald door kinderen met Hello Kitty schaatsen. Om 15 uur was ik dood en ging ik met een volle stempelkaart een medaille ophalen. Had ik hem verdiend? Nee, mijn gepensioneerde schaatsmaatje verdiende er twee omdat hij me 29 km uit de wind hield.
Advertenties