“Willem, je spreekt met Peter R de Vries. Hoe gaat het met je?”
“Ha Peter, ouwe pik, leuk dat je belt. Ja gaat prima. Met jou?”
“Ja goed goed. Hé, zullen we ergens afspreken. Ouwe jongens krentenbrood.”
“Kweet niet Peter, ik heb niet zo’n zin in die aandacht man. Ben net vrij.”
“Ah doe niet zo flauw, koppie koffie, effe ouwehoeren. Ik schrijf niks op hoor.”
“Weet je Peet, ik word overal herkend. Ik ga toch niet gewoon in een café een kopje koffie zitten drinken.”
“Waarom niet man, jij ben Willem Holleeder. Iedereen is bang voor jou, je wordt heus nergens geweigerd. Bovendien, ik heb mooie verhalen voor je joh. Over Joran en over een Emmy die ik gewonnen heb.”
“Jaja, praatjesmaker. Die flauwekul hoef ik allemaal niet te horen. Weet je wat. Laten we een rondje in het bos lopen. Ik heb zin in een frisse neus.”
“Dat wordt dan een flink rondje Willem. Voordat we die neus van jou fris hebben zijn we uren verder.”
“Leuk. Wil je nou afspreken of moet ik ophangen.”
“Nee niet doen. Geintje man. Waar wil je afspreken?”
“Vliegenbos. Ken je dat? Parkeerplaats Zamenhofstraat. Je ziet mijn scootertje wel ergens staan. Neem jij wat broodjes mee?”
“Is goed. Gezellig. Tot morgen.”
“Mazzel.”
“Oh wacht Willem, ben je er nog? Willem?”
“Ja…”
“Hoe laat spreken we af?”
“Tien uur.”
“Prima, tot dan”
[de volgende dag]
“Je bent te laat.”
“Ha Willem, sinds wanneer ben jij zo stipt?”
“Dat heb ik geleerd in de lik, anders kreeg je geen eten.”
“Haha, dan was je vaak te laat zie ik. Wat zie je er slecht uit man.”
“Ja, ik ben behoorlijk afgevallen. Ik mag ook veel dingen niet meer eten vanwege mijn hart weet je.”
“Oh ja, je hart. Hoe voel je je?”
“Ja wel goed eigenlijk. Blij om vrij te zijn. Binnenkort eerst maar eens naar de hoeren.”
“Haha, denk je wel aan je hart Willem, die vrouwen maken je helemaal gek. Maar vertel eens, wat ga je nu doen. Weer mensen omleggen?”
“Niet leuk Peter. Dat doe ik niet meer, dat is geweest.”
“Mietje.”
“Niks mietje. Ik ben de jongste niet meer, heb een zwak hart en bovendien, ik moet eerst maar eens uitkijken dat ik zelf niet gemold word. Ik zit te denken om naar Azië te gaan. Maar ik wil niet dat iemand dat weet Peter.”
“Je kent me toch. Ik vertel niks. Maar ik wil straks wel even wat foto’s van je maken.”
“Waarom in godsnaam.”
“Ja, wat denk je. De media zijn bloedgeil op je. Ik kan tonnen vangen voor een paar kiekjes.”
“Maar ik zie er niet uit man. Als ik dat geweten had, had ik even wat anders aangetrokken.”
“Jezus Willem, wat maakt dat nou uit. Je lijkt wel een wijf. Kom we doen het meteen wel even, dan hebben we dat gehad. Wacht, ik ga even op een afstandje staan. Doe maar een rustig loopje.”
“Wil je dat ik in de lens kijk?”
“Maakt me niet uit. Ik maak er gewoon een paar.”
[klikklik klikklikklik klikklik]
“Laat eens kijken. Oh, dat valt mee. Heb ik geen dikke kont in deze broek?”
“Willem…”
“Grapje. Hey, maar waar zijn we eigenlijk?”
“Ja weet ik veel. Jij kent dit bos toch?”
“Helemaal niet, ik ben hier nog nooit geweest.”
“Verdomme Willem, waarom spreken we hier dan af?”
“Ja, weet ik veel. Gewoon een willekeurig bos. Ik hou van de geur van bomen, maar ik heb een slecht richtingsgevoel.”
“De geur van bomen? Wat ben jij een zachte geworden in de bajes zeg. Vroeger hield je van de geur van geld en bloed.”
“Ik zei toch dat ik veranderd was. Maareh, waar moeten we heen denk je? Jij bent hier de speurneus.”
“Ga jij nu zelf ook neusgrapjes maken? Ik ken het hier ook niet. Maar ik gok op dat paadje daar.”
“Gaan we doen. Wil je mij trouwens die foto’s straks mailen?”
“Waarom?”
“Gewoon. Voor mijn archief. Is altijd handig toch?”
“Het zal wel. Maar ik zal ze mailen. Ik heb ook een knipselkrant over je bijgehouden. Wil je die ook zien?”
“Oh echt, goed man. Zullen we die binnenkort samen bekijken? Haal ik bier en vlees en doen we een welkom-thuis-feestje.”
“Bier en vlees? Waar ga je dat halen dan?”
“Gewoon. Bij Albert Heijn?”
“Willem, dat kan echt niet hoor. Je kunt niet zomaar naar de Albert Heijn gaan.”
“Waarom niet?”
“Die zijn veel te duur joh, je kunt beter naar de Jumbo.”
“Ook goed. Hey, ik zie daar je auto volgens mij.”
“Ja inderdaad. Gelukkig. Nou tot volgende week.”
“Dag Peet, groetjes aan Jac.”
“Doe ik, oh wacht Willem. Ik denk dat ik je foto’s morgen bij Mathijs laat zien hoor.”
“Best hoor, als je maar niet teveel uit je nek gaat lopen kletsen.”
“Wat als ik dat wel doe dan? Ga je mij dan ook vermoorden? Durf je toch niet.”
[zucht] “Dag Peter.”
“Dag Willem, tot volgende week.”






Laatste reacties